20-09-2019

De Europese doelstelling om een energieneutraal gebouwenbestand te realiseren tegen 2050 vormt een belangrijke uitdaging. Wat zijn de exacte cijfers van deze renovatie-uitdaging in Vlaanderen? Is daarbij renovatie of afbraak een betere optie? Maarten De Groote, expert Built Environment and Smart Cities bij EnergyVille/VITO geeft tekst en uitleg.


De Europese doelstelling om een energieneutraal gebouwenbestand te realiseren tegen 2050[1] als onderdeel van het plan om in Europa de uitstoot van broeikasgassen met 80-95% te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990, vormt een enorme uitdaging.

In Vlaanderen is de situatie helemaal niet evident, niet in het minst omdat 95% van de Vlaamse woningen vandaag niet aan de 2050 doelstellingen voldoet. Volgens gegevens van het Vlaams Energieagentschap[2] behaalt amper 5% van de huidige woningen een A-peil op vlak van energieprestatie, waarmee ze voldoen aan de energiedoelstellingen voor woningen tegen 2050[3]. Dit in contrast met meer dan de helft van de bestaande woningen die zeer energie-inefficiënt zijn (label E en F).

Heel wat aandacht ging de afgelopen jaren reeds naar de energieprestaties van gebouwen, en vooral bij nieuwbouw heeft dat zijn vruchten afgeworpen. De EPB-regelgeving in Vlaanderen, met een gradueel verstrengingspad gekoppeld aan een effectief handhavingskader, heeft ervoor gezorgd dat bij nieuwbouw energiezuinigheid als norm wordt beschouwd en toegepast. 60% van de aangiften van bouwaanvraagjaar 2017 voldeden reeds aan de doelstelling van bijna-energieneutraal (BEN) bouwen, de wettelijke eis voor 2021. Wetende dat het aantal BEN-woningen in 2010 slechts 4% bedroeg, toont de evolutie van de voorbije 9 jaren aan dat het beleid zijn nut heeft bewezen.

Renovatie

De grote uitdaging ligt dus bij de renovatie van onze bestaande gebouwen. Omwille van technische, administratieve en culturele redenen behaalt een renovatie, hoe grondig ook uitgevoerd, moeilijk dezelfde energieprestatie als een duurzaam ontworpen nieuwbouw. De keuze voor afbraak gevolgd door nieuwbouw lijkt dan ook aantrekkelijk. In een uitgebreide studie van de Provinciale Hogeschool Limburg (2009)[4] werd echter geconcludeerd dat de piste van afbraak enkel en alleen uit overweging van energiebesparing slechts in uitzonderlijke gevallen aangewezen is, en dit omwille van de hogere kostprijs, de beperkte energiebesparing en de globale milieu-impact. Afbraak en nieuwbouw zijn vooral aangewezen om het stedelijk weefsel en de dorpskernen te verdichten, om openbare ruimte te vrijwaren en wanneer de algemene kwaliteit van de woning te slecht is. De studie in kwestie schatte in 2009 dat – afhankelijk van de bron of de beoordelingscriteria – 36.000 tot 230.000 woningen van zodanig slechte kwaliteit (onder meer door stabiliteitsproblemen, opstijgend vocht, of ontoereikende woonkwaliteit) zijn dat afbraak en nieuwbouw de betere optie lijken. Ten opzichte van de 2.257.019 woongebouwen die Vlaanderen volgens Statbel[5] in 2018 telde, gaat het dus slechts om 1.5 - 10% van het bestaande woningbestand.

Om het Vlaams gebouwenbestand energieneutraal te krijgen, moet het aantal doorgedreven energetische renovaties dus sterk worden opgedreven van 0.8% naar 3% per jaar. Voor deze verdrievoudiging vormen zowel de financiering - met een huidige kost van ca. 40.000 tot 150.000 euro[6] per doorgedreven energetische renovatie - als de kwalitatieve uitvoering enorme uitdagingen.

Om de financiering te kunnen dragen, moet er worden ingezet op kostenreducties en innovatieve financieringsmiddelen. Een collectievere aanpak[7], efficiëntieslag, digitalisatie en innovatie vanuit de bouwsector kunnen de prijs van renovaties sterk doen dalen en de garantie op kwaliteit verhogen. Een kwaliteits- en energiebesparingsgarantie bieden een groter vertrouwen aan eigenaars en kredietinstellingen om te investeren in renovatie, mogelijks aan een voordeliger tarief of via een innovatief financieringsmiddel zoals een rollend fonds of Energy Performance Contracting (EPC).

Zonnepanelen

Om de decarbonisatie verder mogelijk te maken worden ook steeds meer collectieve strategieën naar voor geschoven als aanvulling of zelfs als alternatief voor doorgedreven energetische renovatie. Grootschalige onderzoeksprojecten als EPOC[8] en ROLECS[9] bestuderen vandaag in hoeverre een systeemaanpak aanleiding kan geven tot contextafhankelijke richtlijnen voor renovatie van gebouwen. Zij worden dan niet als een individueel eiland bekeken, maar als onderdeel van het energiesysteem. De oplossingen worden daarbij bepaald naargelang de mogelijkheden en specifieke situatie van de locatie. In regio’s waar duurzame warmte, zoals bijvoorbeeld restwarmte of geothermie, aanwezig is, kunnen warmtenetten een kosteneffectieve oplossing bieden. Na aansluiting van een bestaande woning op het warmtenet kan de investering in duurdere maatregelen voor energie-efficiëntie gespreid worden in de tijd terwijl de woning wel al duurzaam verwarmd wordt.

Als we deze uitdaging in Vlaanderen aangaan, zullen we naast energie- en CO2-besparingen ook andere vruchten kunnen plukken:

  • Woonhuizen met een energieprestatielabel B zijn gemiddeld 10,9% meer waard dan woningen met een label E en worden 25% sneller verkocht. [10] Het creëren van meerwaarde van de woning is dus een zeer degelijk alternatief voor het spaarboekje dat niets opbrengt.
  • Renovaties verhogen het comfort en gezondheid van de bewoners. Daarnaast zijn er voor niet-residentiële gebouwen ettelijke studies die bijkomende voordelen aantonen zoals een hogere productiviteit in bedrijven en kantoren, betere leerresultaten in schoolgebouwen en een sneller genezingsproces van patiënten in ziekenhuizen.[11]
  • De bouwsector is een sterke en lokaal gebonden waardeketen met veel mogelijkheden tot innovatie en verdere groei.

Conclusie: het Vlaamse gebouwenbestand klimaatneutraal maken tegen 2050 is ambitieus, nodig én mogelijk. Dat kan hoofdzakelijk via doorgedreven renovatie en via een goede afstemming met de opportuniteiten die een collectieve aanpak en innovatieve financiering kunnen bieden. Afbraak en vervangingsbouw, al dan niet gecombineerd met kernversterking op duurzame locaties, zullen voor een kleinere fractie van de woningstock aangewezen zijn.

Maarten De Groote

Contact

Maarten De Groote

Researcher Smart Energy and Built Environment at EnergyVille/VITO
Glenn Reynders

Contact

Glenn Reynders

Researcher Smart Energy and Built Environment at EnergyVille/VITO
Dirk Saelens

Contact

Dirk Saelens

Professor Building Physics at EnergyVille/KU Leuven

Referenties

[1] Europese richtlijn 2018/844 betreffende de energieprestatie van gebouwen en energie-efficiëntie - https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32018L0844&from=EN

[4] Actieplan voor de bevordering van de vernieuwing van het deel van het Vlaamse woningbestand dat niet meer in aanmerking komt voor een zinvolle energierenovatie, Provinciale Hogeschool Limburg (nu Hogeschool PXL), 2009 - https://www.energiesparen.be/sites/default/files/atoms/files/erp2020_sloopennieuwbouw.pdf

[6] Expert berekening gebaseerd op basis van eenheidsprijzen voor typische maatregelen aangewezen voor de uitvoering van een doorgedreven energetische renovatie. Voor typische eengezinswoningen varieert deze investeringskost van 40.000 tot 150.000 € afhankelijk van de grote en de toestand van de bestaande woning.

[7] Bij een collectieve renovatie worden meerdere woningen gezamenlijk gerenoveerd waarbij een facilitator het traject begeleidt en zo de bewoners ontzorgt. Het schaalvoordeel leidt tot efficiëntiewinsten bij de betrokken bouwprofessionelen en tot een lagere kostprijs.

[10] Het effect van het EPC en energetische kenmerken op de verkoopprijs van woningen in Vlaanderen, KU Leuven, 2019

Op 22 oktober 2019 organiseert het EPOC-consortium in samenwerking met SRBE/KBVE de workshop 'The Role of Buildings in the Future Energy System'. In deze workshop zal dieper ingegaan worden op de decarbonisatie van gebouwen en wordt bekeken hoe effectieve maatregelen ingevoerd kunnen worden om die ambitie te bereiken.